Columns

Uut 't Wald | Schoonmaak

Schoonmaak

Ik las het gedichtje ooit in een oude almanak: Daor he'j 't arme leaven van de schoonmaak weer, de hele wekke vuur geen cent plezeer.
We kunnen het ons nu haast niet meer voorstellen, maar nog maar een of twee generaties geleden was de voorjaarsschoonmaak een vast punt op de kalender. En er was geen (huis)vrouw die zich aan die plicht wilde onttrekken. Zoals een medewerkster van het WALD (Woordenboek van de Achterhoekse en Liemerse Dialecten) het ooit zei: "As 't vuurjaor in 't land is, kriegt de meeste vrouwleu de kriebels in het blood."
Niet dat onze moeders, groot- en overgrootmoeders er de rest van het jaar met de pet naar gooiden, maar onder de stralen van het lentezonnetje werd het huis pas echt op de kop gezet. En niet alleen het huis. Op de boerderijen werden ook de deel en de stallen flink uitgesopt. Niet voor niets stond in het Achterhoeks de 'veurjaorsschoonmaak' ook wel bekend als de grote schoonmaak.
Want ook in de herfst ging moeder de vrouw nog eens flink aan de slag. Iets minder fanatiek dan in het voorjaar, maar toch… spinnen en spinrag moesten wel worden weggehaald (spinneköppe jagen noemde men dat). En natuurlijk ook de 'vlegenstront'. Deze schoonmaakbeurt in het najaar heette in Didam dan ook wel de vliegeschoonmaak. In Pannerden, waar in oktober de jaarlijkse kermis wordt gehouden, had men het over de kermisschoonmaak. In Lichtenvoorde sprak men van de kleine schoonmaak. Blijkbaar deden de dames daar het iets rustiger aan.

reageer als eerste
Meer berichten