Kenzo Kusuda

Kenzo Kusuda

Vanuit het Bimhuis kun je door glazen wanden naar het water van het IJ kijken. Naast het Bimhuis is een parkeergarage, boven en onder de grond. In het Bimhuis danst een kleine, stevige Japanner, hij heet Kenzo Kusuda. Ze hebben me verteld dat hij zou dansen. Ik pas me aan, ik denk: Hij zal dansen. Ik hoor hem komen, ik hoor dat hij komt, de Japanse danser. Er is weinig ruimte om te dansen, de mensen zitten dicht op elkaar, ik hoor de danser komen, hij dringt zich door de rijen mensen, ik hoor snerpend, snel geluid van metaal. De danser is een kleine man, het publiek bestaat uit Nederlanders, we zijn in Amsterdam, buiten zie je het IJ, onrustig water met veel boten. Het publiek kent geen Japans. De danser duwt drie metalen, vierkanten krukken voor zich uit. Gebruiksvoorwerpen, ze horen bij het Bimhuis. De krukken willen niet wat hij wil, hij moet ze dwingen, hij is een Japanse dwingeland. Wat hij doet is soms gevaarlijk. Hij stapelt ze op en klimt dan naar boven, ze kunnen zo omvallen. De danser valt dan mee. Hij kan vallen op een oude man of een meisje van vierentwintig, maar dit alles is onderdeel van zijn kunst. Hij is een kunstenaar, vergeet dat niet. Ik zie ook dat hij voorzichtig een glas bier uit de hand van een toeschouwer pakt en er een slok uit drinkt. Vervolgens danst hij door het publiek naar de bar en haalt een nieuw glas bier. Later, als de danser zijn nummer beƫindigd heeft, komt er een oude, mij onbekende man naar me toe. Hij is verontwaardigd: Dit is toch geen kunst, wat vindt u daar nou van? Ik zeg: Dat wist u toch? U bent hier toch vrijwillig naartoe gekomen? U heeft het programma toch gezien? U kent het Bimhuis toch? Hier kan toch alles gebeuren? Als iemand kunst maakt geloof ik hem. Ik ken geen Japans, maar als deze danser in het Vlaams of Nederlands zou verklaren dat hij kunst maakt, zou ik hem onvoorwaardelijk geloven.
Later op de avond, tegen middernacht, kost het me moeite de stille parkeergarage binnen te komen. Er is geen mens te bekennen, niemand kan me helpen. Ik telefoneer, een vrouw antwoordt, een stem met ogen, want ze zegt dat de deur achter mijn rug open is. Ik vind inderdaad mijn auto, ik bewerk de volgende automaat, maar de laatste slagboom blijft dicht, wat ik ook doe. Ik telefoneer weer, ik word verbonden met een andere vrouw. Ze begrijpt niet wat er fout is gegaan. Ik vraag of ze niet open kan doen in naam van Kenzo Kusuda.
Ze vraagt wie dat is. Ik vertel dat hij een miraculeuze Japanse danser is. Dat overtuigt haar, ze opent de slagboom. Ik rijd de nacht van Amsterdam in. Het regent, maar mijn ruitenwissers werken.