De Raaf

De Raaf

Drie reeën rennen met grote snelheid van rechts naar links over de grasvlakte achter m'n huis. Ik sta in de kamer en zie het toevallig. Een uur later zie ik een reebok met dezelfde snelheid van links naar rechts rennen. Nu zijn er zware knallen te horen. De laatste dagen van december, het kunnen jagers zijn, het kan vuurwerk zijn. Ik woon bijna vijftig jaar op deze plek, ik ben niet verrast. Vanuit het raam gezien is hier niets veranderd, we hebben geklaagd over grote droogte, we hebben geklaagd over overvloedige regen. We hebben ten slotte begrepen dat we beter niet kunnen klagen. Mijn vrouw, die in Amsterdam woont en vaak bij me logeert, is enthousiast over het rennende wild. Ze gaat wel eens naar Artis, maar dat is toch niet te vergelijken met het scherp van de snede, het gevaar, de angst, de ongewisse oorzaak van de knallen. Ik had vroeger vaak ruzie met de plaatselijke jager. Die was van mening dat hij lukraak kon schieten en dat ik daar niets mee te maken had. Het is gebeurd dat hij met hond en geweer aan de rand van het bos zat te wachten op een onschuldige haas, en dat hij niet hoorde dat hij van achteren benaderd werd door een sluipende man – ik. Ik was in die tijd soepel en licht, de jager was ouder, logger, agressiever. Wat me verbaasde was dat de hond me niet opmerkte. Waarschijnlijk was hij in de ban van zijn baas. Ik wilde de jager tot tien centimeter naderen en dan hard 'klootzak' in zijn oor schreeuwen. Ik rekende erop dat hij het geweer zou laten vallen en dat ook de hond geïntimideerd zou zijn. Terwijl ik aanstalten maakte voor het laatste bedrijf, schrok ik van het onverwachte krassen van een raaf. Ik kromp ineen achter een bosje in een zanderige kuil, en hield me stil. Later, toen ik mijn huis onopgemerkt had bereikt, zocht ik naar de schrik bij het geluid van de raaf. Ik was het handboekje van Epictetus aan het lezen, de Griekse slaaf/filosoof uit de eerste eeuw van onze jaartelling. Ik herinnerde me zijn opmerkingen over de raaf: *Wanneer een raaf onheilspellend krast, laat u dan door dit verschijnsel niet van de wijs brengen, overleg snel bij uzelf en zeg: 'Die dingen hebben geen enkele betekenis voor mij, noch voor mijn schamel lichaam, noch voor mijn schamele bezittingen, noch voor mijn povere mening, noch voor mijn vrouw. Voor mij heeft alles een gunstige betekenis als ik het zelf wil; want wat er ook uit voort mag komen, het ligt in mijn macht om het te gebruiken voor mijn welzijn.'*

Het was duidelijk dat ik me door het krassen van de raaf van de wijs had laten brengen. Stom, ik moet geen filosofen lezen.