Schoolmelktanden

  Column

De scholen zijn weer begonnen, zelfs met fysieke lessen, al dan niet met mondkapjes in de gangen tussendoor. Lekker leren, tot je alles snapt (behalve het coronabeleid van Oost Gelre, er zijn grenzen aan de menselijke intelligentie).
Omdat ik laatst, zoals vorige week gemeld, om 12 uur ‘s avonds de kroeg uit werd gestuurd, had ik thuis nog tijd om door de alcohol - met mate! - naar boven gekomen herinneringen weer eens in mijn licht benevelde hoofd af te spelen.
En die herinnering ging over school. Ik zal haar (herinnering is vrouwelijk, ook als het over een man gaat) nu nuchter proberen terug te halen.

In de hoogste klas/groep hadden we les van een docent die nog hoofdonderwijzer of schoolhoofd werd genoemd. Klinkt eigenlijk ook beter, overzichtelijker en zwartwitter dan basisschooldirecteur. Hij was een erg aardige man. Niet aardig volgens het boekje - hij was nogal driftig van aard - maar ik mocht hem wel. En het hoofd mocht zijn leerling wel. Niet op die manier, geconditioneerde lezer, gewoon een onderwijzer op leeftijd (hij liep al tegen zijn pensioen aan) en een toen nog vriendelijk jongetje.

Tussen het rustig houden van een grote klas moest het hoofd af en toe naar zijn kantoor ernaast om directeursdingen te doen. Hij was de kat en de leerlingen waren de muizen. Op een middag dansten we niet op tafel, maar op de vensterbank. Het was een van de nieuwere lokalen, met ramen die gelukkig wel laag genoeg zaten om erdoorheen te kijken - in tegenstelling tot die oude lokalen met die streng-katholieke te hoog geplaatste ramen.
De deur tussen het klaslokaal en het kantoor was open, dus na het geluid van een plantenbak die op die vrijdagmiddag in stukken viel, stoof het hoofd schuimbekkend terug naar het lokaal. Daar was ik met twee anderen net op tijd van de vensterbank afgesprongen. Het was ons niet gelukt weer netjes aan de tafeltjes te gaan zitten, maar op de vloer staan was een redelijk compromis. “Wie heeft dat gedaan?!”, brieste de hoogste meester, kijkend naar ons en naar de scherven, het zwarte zand en de plant op de grond. “Zeg op!” En toen de z-klank veranderde in een s-klank viel zijn bovengebit uit zijn mond.

Ik had het gedaan, die plantenbak op de grond laten donderen, maar ik had al mijn eigen tanden nog, dus ik wilde geen risico lopen, al wist ik dat het schoolhoofd niet echt hard zou slaan. “Hij heeft het gedaan”, zei ik terwijl ik wees naar de jongen die toch al spleetjes tussen zijn tanden had. Mijn klasgenoot ving de klap met de vlakke van de hoofdmeester gelaten op, tot de komst van Facebook hem ik hem nooit meer gesproken.
Die vrijdagmiddag lang geleden besefte ik dat ik als het erom gaat een lafbek kan zijn, dat dat handig is maar niet sociaal. En dat ik het van mezelf vaak beter kan hebben dan van anderen.

Meer berichten
 

Dagelijks het laatste nieuws in je mailbox ontvangen?

Aanmelden