
Zomervoeten
OpinieHet was al tijden zeven slagen in de rondte en alles tegelijk. En omdat tegelijk, vanwege mijn onvermogen een agenda bij te houden, te vaak ook echt tegelijk was, schoot ik regelmatig te kort, voelde ik me schuldig en stak mijn altijd sluimerende imposter syndroom de kop op. Wie was ik dat ik dacht goed te zijn in wat ik deed? In de verzengende hitte wogen de laatste loodjes op mijn werk zwaarder dan ooit. De vakantie was op papier misschien dichtbij, maar ook nog niet meer dan een vage stip op de horizon.
Toch vind ik het heerlijk om druk te zijn. Als ik in een focus kom, ben ik op m’n gemak. Laat mij maar urenlang eindexamens nakijken, of op de laatste nipper een nachtelijke column poepen. Maar als druk zijn betekent dat ik achter de feiten aanloop, word ik geen leuker mens. Niet voor mezelf en zeker niet voor mijn omgeving. Natuurlijk, kinderen kunnen vervelend zijn (‘Hou eens op met dat eeuwige geruzie!’). En ze moeten ook niet zoveel willen (‘Nee, je mag geen ijsje!’). En vanzelfsprekend moeten ze een beetje netjes zijn (‘Ga met je smerige poten van de bank!’). Maar dat ik ze de dupe laat zijn van mijn oververmoeide eindejaarschagrijn is niet fair.
Toch ontwaarde ik langzamerhand het bos door de bomen en ontwarde ik de ondoordringbare kluwen tot wat losse eindjes. Niet in de laatste plaats dankzij lieve collega’s die niet schrikken als ik een afspraak vergeet en me erdoorheen slepen als het even niet lukt. Kennelijk doe ik toch iets goed en heb ik wat krediet. De diploma-uitreiking was het laatste losse eindje. De geslaagde leerlingen zaten midden in hun overgangsrite naar volwassenheid en ik mocht mijn mooiste woorden over hen uitstrooien. Eindelijk voelde ik de rust in mijn lichaam neerdalen en genoot ik van een avond vol blijdschap, tranen, afscheid en een nieuw begin.
De volgende dag speelden mijn kinderen in de tuin. Eventjes leek een woordenwisseling te ontaarden in een ruzie, maar net toen ik het raam opendeed om ze tot de orde te manen, hadden ze het al bijgelegd. Als de grootste vrienden gingen ze zitten in het gras en ik keek naar de zwarte onderkanten van hun blote voeten. Het waren helemaal geen smerige poten, zag ik nu; het waren zomervoeten. Het mooie weer had ze weken geleden al tot laat in de avond naar buiten gejaagd. De blootvoetse uren die ze met vriendjes en vriendinnetjes doorbrachten op het gras, op speelpleinen en op straat hadden van hun voetzolen zwarte eeltslippers gemaakt die ze de rest van de zomer zouden dragen. Hoewel het nog geen vakantie was, had de zomerse ontspanning het bij hen allang gewonnen van de schoolse stress. En nu was het mijn beurt.
Ik deed m’n schoenen en sokken uit. Blootvoets liep ik het gras op, de zomerzon in. ‘Lieve kinderen, ijsje!?’










